24 May, 19:35, 602
x viewed
Geen verdwaalde verkoudheid die ik per abuis zijn weg had laten vinden door het op te snuiven, geen wraakzinnende streptokok. Zelfs geen te verwaarlozen buikloop die met me aan de haal ging. Nee. ‘Kanker’. Ik oefende voor de spiegel. Ik spuugde het walgelijke woord uit, de bittere nasmaak bleef plakken aan mijn gehemelte. Onbewust trok ik een vies gezicht. ‘Kanker’. Ik keek weer naar mijn spiegelbeeld. Het stond me niet.
Al een paar maanden zag ik bliksemschichten samenspannen met de donkere wolken. De atmosfeer was gevuld met onheil, gevoed door zwarte rookwalmen van ellende. Soms verkeerde ik in een bui van grootmoedigheid en keek ik met opgeheven hoofd naar het vergezicht. Meestal uit de hoogte, vaker arrogant. Het was pijnlijk te moeten constateren dat de lucht niet opklaarde. Gekweld keek ik toe hoe grote zwarte wolken zich opstapelden en mij achtervolgden, om uiteindelijk in een stortbui van tegenspoed boven mijn hoofd los te barsten. Ondanks het feit dat ik wist dat de inmiddels ondraaglijke pijn niet normaal was, kwam het nieuws als donderslag bij heldere hemel: mijn lichaam had mijn ziel verraden door mij ten dode op te schrijven.
Dachten ze de wereld in één vloeiende beweging onder mijn voeten weg te kunnen slaan? Nee. Vluchten of vechten zou het zijn. Dat eerste had ik al gedaan en het had me alleen maar verder in de ellende gebracht. Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan dat ik niet eerder gehoor had gegeven aan het onbewuste stemmetje, dat me al maanden op mijn zenuwen werkte. Simpelweg door het te negeren, had ik diezelfde stem het zwijgen opgelegd.
Wat als ik geluisterd had? Zou ik dan herhaaldelijk dezelfde gesprekken gevoerd hebben met mijn ego? Wellicht was er dan lichte sluierbewolking geweest, maar een paar ontsnapte druppels hemelwater zouden mijn lichaam niet laten verdrinken in een stortvloed van kommer en kwel.
Het had geen zin om me dat af te vragen. De zware storm was uitgerukt, maar de hevige windstoten zouden mij niet aan het wankelen krijgen.
Er waren mensen die onthutst reageerden, toen ik voor het eerst de woorden hardop uit durfde te spreken. Sommige waren zo aangeslagen dat ik diegene was die bemoedigende woordjes toefluisterde. Anderen kozen de weg van de minste weerstand en keerden me de rug toe. Er waren dierbare vrienden die kennissen werden, vage bekenden werden me lief.
Het was allerminst gemakkelijk de route te vervolgen met het dreigend donkere wolkendek boven me. Ik durfde niet eens te kijken, uit angst dat ik in één oogopslag het onweer zou opwekken. Zonder te weten welk pad ik zou moeten bewandelen, hoopte ik dat ik de juiste weg was ingeslagen, dat het niet zou uitmonden in een doodlopende straat. Voetje voor voetje bewoog ik me voort. Langzaam.
Het putte me uit. Mijn aandacht op de grond, hopend dat hij niet onder mijn voeten weg zou zakken. Met het angstzweet in mijn handen probeerde ik elke hobbel te overwinnen. Radeloos, maar alert om niet in kuilen te vallen. Zo nu en dan keek ik achterom, het gaf me kracht om weer een stap voorwaarts te zetten. Ik negeerde open wonden, veroorzaakt door kapot gelopen blaren. Met het bloed in mijn schoenen liep ik verder. Mijn vingers gleden over mijn ziel, die ik nog steeds onder mijn arm geklemd had.
In de verte stak een grote bergketen boven het landschap uit. Naarmate mijn reis vorderde en ik het grote gebergte naderde, werden de contouren duidelijk zichtbaar. Een voorzichtige zonnestraal verlichtte niet alleen de bergkam, maar verduidelijkte mijn route. Voor het eerst sinds lange tijd wist ik waar ik vandaan kwam, waar ik stond en waar ik naar toe moest. Het was een overweldigend gevoel en dankbaar keek ik voor het eerst weer de hoogte in.
De hemel overdonderde me. Met open mond staarde ik naar de kobaltblauwe lucht, het vormde een prachtig geheel met het zachte witte dons dat meedreef op het blauw, richting een paar voorzichtige zonnestralen. De schoonheid ontnam me mijn adem. Ik knipperde met mijn ogen en toen ik zag dat het er nog was, liet ik me achterover vallen. Ik trok mijn schoenen uit en liet mijn blote voeten zacht door het kriebelende gras glijden. Een blijmoedige boterbloem kietelde mijn neus, en ik genoot. Ik sloot mijn ogen en voelde hoe de warme zonnestralen mijn gezicht lieten tintelen van gelukzaligheid.
Toen ik overeind kwam, zag ik dat de bergketen was verdwenen. Verbaasd keek ik achterom naar het verlaten landschap dat ik voor eens en altijd achter me had gelaten. Grote, zwarte pieken raakten in de verte de hemel aan. Het waren dezelfde bergtoppen die ik eerst voor me had gezien.
Nogmaals keek ik naar het pad dat voor me lag. Het werd vergezeld door vrolijk gekleurde bloemen die glinsterden in het zonlicht.
Ik rook de lente en stond op. Mijn versleten schoenen liet ik staan, ze hadden me nooit gepast.
Op blote voeten liep ik het pad af. Ik voelde de zon op mijn gezicht branden en met opgeheven hoofd begon ik aan de laatste meters. Het was fijn om weer bijna thuis te zijn.
© Silly Houet