Voor de zoveelste keer vangen zijn ogen mijn blik. Prachtige grijsblauwe ogen staren me aan. Ik dreig te verdrinken in een diepblauwe zee van onbegrensde liefde. Ik zie hoe het blauw op sommige punten overloopt in grijs. Ik grijp me vast aan de rotsen van onvoorwaardelijke steun. Het is alweer een tijd geleden dat ik de sprong in het diepe maakte door eeuwige trouw te beloven, maar ik proef de bezegeling nog op mijn lippen. Mijn vader had me weggegeven. Met liefde. Toen ik hem een jaar voor de plechtigheid voorstelde aan zijn toekomstige schoonzoon had hij hem afkeurend gadegeslagen. Een
vreemde vogel, zo luidde de conclusie van mijn moeder. Het duurde niet lang voordat mijn ouders inzagen dat dit de man was die mij liet zweven naar ongekende hoogten. Toen hij mijn vader de hand van zijn dochter vroeg, sprongen de tranen in zijn ogen, zo hoorde ik later. Ik was er graag bij geweest.
Mijn vingers glijden over de foto en de stofvrije strepen smijten me terug op het land.
Ik kijk om me heen en verbaas me over het gegeven hoeveel een mens verzamelt in de loop der jaren. Dat het veel was, wist ik, maar zóveel had ik niet voor mogelijk gehouden.
'Schat, we moeten écht eens de berging opruimen.’ Ik hoor het hem nog zeggen. ‘Ja, ik weet het, laten we er volgende week mee beginnen..’ In de daaropvolgende weken keken we er niet meer naar om. Hij vergat het. Ik herinnerde hem er niet aan. Ik kon het niet. En nu, juist nu, dank ik god op mijn blote knietjes dat ik het niet kon. Opruimen was een vriendelijk maar afschuwelijk synoniem voor weggooien. Ik kijk om me heen. Prachtige herinneringen van gebeurtenissen die ons hebben gemaakt tot wie we nu zijn. Verpakt in bruin karton. Een voorzichtige straal zonlicht die binnendringt via het zolderraam brengt me terug naar de werkelijkheid.
Twee jaar lang, dag in dag uit had ik naar dit moment verlangd. Het moment waarop ons veilige, mooie leven weer van het karton bevrijd zou worden. Niemand had verwacht dat deze tijdelijke opslag zo'n dramatisch droevige wending zou krijgen.
Ik denk terug aan de gevreesde dijkdoorbraak. Lange tijd heb ik het water vervloekt. Het water dat niet alleen de dijken deed doorbreken, maar ook ons meesleurde, de dreigende, kolkende diepte in.
Mijn vingers voelen het stugge karton. Precies twee jaar geleden had ik deze doos als laatste naar boven getild.
Mijn moeder had zenuwachtig heen en weer gelopen, van de ene naar de andere hoek in de lege huiskamer. Zelfs de gordijnen waren van de rails gehaald, waardoor de ondergelopen uiterwaarden nog dreigender leken. Ik hoor het haar nog zeggen: ‘Het komt goed schat.’ Ik weet nog hoe haar onvaste stem me alleen maar ongeruster had gemaakt. We probeerden sterk te zijn, naar elkaar, voor elkaar. ‘Ja, over een paar dagen balen we er zelfs van dat we voor niets alles naar boven hebben gesleept.’ hoorde ik mezelf zeggen en gaf haar een knipoog. ‘Geef die vreemde vogel een dikke kus van me,’ zei ze grijnzend. Ik graaide in mijn handtas op zoek naar mijn autosleutel en voelde weer even de fotolijst. Ik glimlachte. Alsof het zo had moeten zijn, onder verwrongen omstandigheden. Dat wel. Mijn hart sloeg over toen ik het nieuws hoorde een nieuwe wereldburger te mogen verwelkomen in mijn vriendenkring. Mijn beste vriendin: zwanger. Ik vond het heerlijk haar zo te zien stralen.
Niet alleen stroomde ik over van trots, ook een diep verlangen naar een klein mensenkind maakte zich van mij meester. Een klein rozig hummeltje, met tien kleine vingertjes reikend naar de wereld. Tien kleine teentjes huppelend door het leven. Een onverklaarbaar groot wonder. Mijn hand gleed over de lichte stof en kriebelde mijn buik. Ik had besloten dat vanavond het moment was. Ik weet nog dat ik probeerde me zijn gezicht voor te stellen, wanneer hij het allergrootste cadeau dat ik hem kon geven in ontvangst zou nemen.
De paniek in de uiterwaarden had zich verplaatst naar de snelweg. De digitale autoklok vertelde mij dat ik al ruim twee en een half uur onder weg was. Drie kwartier daarvoor had de avond de dagshift overgenomen. Ik drukte voor de zoveelste keer op ‘de laatst gekozen nummers’ van mijn mobiel. Verdorie. Dat mens begon me aardig op mijn zenuwen te werken met haar, ‘deze mobiele telefoon is op dit moment uitgeschakeld...’ Nog voordat ze me verzocht het later nog eens te proberen drukte ik driftig op het rode knopje. Inwendig vervloekte ik de auto’'s voor me en snoerde ik Marco Borsato de mond door de radio op een volgende zender af te stemmen. ’Ha, afscheid nemen bestaat wél; kijk maar hoe makkelijk het gaat. Luid en onbeschaamd zong ik mee met Cindy Lauper;
I see your true colors
And that's why I love you
So don't be afraid to let them show
Your true colors
True colors are beautiful,
Like a rainbow
Ruim anderhalf uur later naderde ik het dorp. Vermoeid volgde ik de slingerbochten die mij de weg wezen. Het zwakke licht van de vele lantaarnpalen tekende vage, angstaanjagende schaduwen van de hoge bomen op straat. Mijn kleffe handen omklemden het stuur, dat zo af en toe links naar trok.
Ik probeer de afschuwelijke momenten die daarop volgden te verbannen door met mijn hoofd te schudden. Ik sluit mijn ogen en zie weer hoe de verlichte koplampen steeds dichterbij komen.
Ik zie weer hoe je met je hoofd voorovergebogen op het stuur ligt. Ik had het portier losgerukt en je hoofd vastgepakt. Ik kuste je bebloede wangen en schreeuwde. Huilend smeekte ik je mij niet in de steek te laten. Ons. Mij en de baby. Mijn gevoel van onmacht werd omgezet in woede. Waarom jij. Waarom wij. Ik schreeuwde mijn longen uit mijn lijf en ik voelde elke vezel in mijn lichaam langzaam afsterven.
Ik moet in elkaar gezakt zijn, want ik ontwaakte in het ziekenhuis. ‘Schat, het komt goed, echt..' Langzaam opende ik mijn ogen. Mijn moeder. Ik zag aan haar ogen dat het mis was. Helemaal mis. Ze kuste mijn handen die in de hare lagen. "Je lag in coma." vertelde de arts. Het was alsof de wereld onder mijn voeten weggeslagen werd. Onbewust greep ik naar mijn buik. Het bleef niet onopgemerkt. De arts vroeg mij mee te komen. Voor nader onderzoek.
Het had de mooiste tijd van ons leven moeten zijn, maar jij wist het niet. Elke dag hoopte ik op een wonder, dat je terug zou keren naar je gezin. Dagenlang sprak ik tegen je. Probeerde ik je uit te leggen hoeveel ik van je hield. Ik legde je handen tegen mijn buik om je de baby te laten voelen. Ik nam namenboeken mee. Ik liet je boeken vol geboortekaartjes zien en vroeg je om vergiffenis als ik de verkeerde keuze zou maken.
Ik beviel van het mooiste wereldwonder. Twee Verdiepingen onder je. De bekroning op ons geluk. Ze huilde veel. Ik ook. We huilden om haar vader. Ik legde haar op je borst, elke keer weer. Jouw regelmatige ademhaling maakte haar rustig en tevreden.
Haar eerste stapjes deed ze naar jou. Haar tien kleine vingertjes hielden jouw bed vast.
Elke dag zaten we aan je bed, in stil verlangen dat het je niet zou ontgaan.
Ik hoopte met heel mijn ziel en zaligheid dat ik mijn dochter haar vader terug kon geven.
Dankzij jou zijn we weer compleet.
Wij hebben je, nog steeds.
Het karton mag er vanaf; ons mooie leven wordt te groot voor deze te kleine doos.
© Silly Houet
Zijn In Stil Verlangen lees je bij Yozev