Member details
 Show in normal design
Heb geen wantrouwen in mij.
Ik en mezelf staan zij aan zij.

Geef me geen beschuldigende blik.
Je kijkt in de ogen van mijn ware ik.

Bekritiseer niet de ik die is gegeven.
Het is louter mezelf die heeft geschreven.

Wees niet angstig voor mijn profiel.
Het is de schaduw van mijn eigen ziel.

Veroordeel me niet.
Ik ben wie ik ben en wie jij ziet.
 
om hetgeen te lezen dat er niet staat.
21 Jun, 21:50
Ik voel een traan over mijn wang rollen. De donkere vlek vormt een dreigend geheel en zet zich af tegen zorgvuldig gekozen woorden. Het is de zoveelste brief die ik schrijf. Ik weet dat je hem niet zal lezen. Ik laat mijn hoofd op het papier rusten. Inwendig vervloek ik het doordringende tikken van mijn horloge. Het is nog maar een paar uur geleden dat we allebei wisten hoe laat het was, en toch lijkt er een eeuwigheid verstreken. Geleefd door niet bestaande dagen, in de vergetelheid geraakt door eenzame jaren.

Met weemoed denk ik terug aan onze eerste ontmoeting. De eerste keer dat de tijd mijn hart liet overslaan, mijn ziel de seconden minutenlang liet duren. Dat alles om me heen haar bestaan leek te verliezen, deerde niet. Alles werd niets en de rest waren wij. Midden op straat pakte je mijn hand en vroeg me samen met jou het geluk achterna te reizen. Door stomheid geslagen staarde ik je met open mond aan. Je kneep in mijn hand en ik hoorde hoe mijn sprakeloosheid werd overschreeuwd door jouw glimlach.

‘Dit hebben we niet nodig’ zei je en ik zag hoe je voorzichtig het horloge van mijn pols deed en het in je broekzak liet glijden. Je drukte je lippen op mijn voorhoofd en fluisterde dat het tijd was om te gaan. Terwijl ik naast je liep, probeerde ik je zo onopgemerkt mogelijk te observeren. Ik was onder de indruk van je imposante verschijning maar tegelijkertijd vroeg ik me af waar dit toe zou leiden. Je leek mijn gedachten te lezen en liet me weten dat we er bijna waren. 'Het vertrekpunt, niet de eindbestemming…’ Ik voelde de kriebels in mijn onderbuik en inhaleerde de ijle lucht. Met jouw arm om mijn middel geslagen, staken we de straat over en terwijl ik niet wist wie je was, liet ik me blind door jou leiden. Niet wetend vanwaar we zouden vertrekken, reikhalzend uitkijkend naar de eindbestemming. Ik voelde aan mijn pols en wist dat de tijd het zou leren.

Met bevende vingers had ik de sleutelbos aangepakt. Onwennig, maar zonder aarzeling stak ik de sleutel in het slot van de deur. De poort die zou leiden naar onze wereld, smekend om ontdekt te worden door jou en mij. Met nonchalante pas liep je naar de geluidsinstallatie. Langzaam liet ik me op de bank vallen en voelde hoe je je warme lichaam tegen me aan vlijde. Met zachte kusjes op mijn oogleden gebood je ze te sluiten, om zo de wereld nog beter te kunnen zien. 'Dit is alles wat we nodig hebben' en je drukte je hand op mijn hart.

Ik luisterde naar de melodie van de startende cabrio, terwijl jouw vingers door mijn haren dansten op het ritme van de wind. Liggend in jouw armen passeerden we uitgestrekte stranden en zwommen in de liefdevolle zee. Met mijn hoofd op je borst liet ik me overtreffen door het vergezicht. Jouw hand in de mijne, rijdend door het goudgele landschap, richting de ondergaande zon. We dronken goedkope wijn bij kaarslicht en zagen in elkaars ogen wat zolang onzichtbaar had geleken. Liefdevol wiegde je me in slaap, in een verlaten schuur, ver weg van de bewoonde wereld. Innig in elkaar verstrengeld verklaarden we elkaar de liefde, met de opkomende zon als getuige. Hand in hand spraken we zonder iets te zeggen en begrepen we zonder uitleg. We doorkruisten de steppe, lieten ons bedwelmen door kruidige walmen en kochten honing bij een imker. We hadden dezelfde route voor ogen en lieten onze harten om beurten navigeren. We rolden kussend van besneeuwde bergtoppen en hadden elkaar eindeloos lief in het warme zand van de woestijn. Dankbaar sloten we de gastvrije natuur in onze armen en beloofden nooit meer los te laten. We liepen door schilderachtige steden en aten stokbrood met tapenade. Drijvend op de wateren van pittoreske dorpjes keken we hoe de visvangst werd binnengehaald en werden we dronken van verliefdheid.

Het was werelds, totdat de weg ons op tijd wees. Onze tijd die weg tikte op de levensgrote klok. Met elke vezel in ons lijf probeerden we de plattegrond te negeren om zo de resterende reistijd niet in te hoeven schatten. Je vingers streelden de rug van mijn hand en bleven rusten op de plek waar ooit mijn horloge had gezeten. Het leek zo lang geleden: het begin van onze reis. We staarden naar het donkere dreigende wolkendek dat ons meedreef naar wat we zolang hadden vermeden. Zwijgzaam keken we toe hoe plassen het hemelwater verzamelden en onze tijd liet verdrinken in de werkelijkheid.

Wanneer ik mijn tranen wegveeg, voel ik het koude metaal langs mijn wang glijden. De maan schijnt voorzichtig op het papier en met een brok in mijn keel luister ik naar het nummer dat je voor me zong. Zachtjes neuriënd denk ik terug aan de onvergetelijke reis door de wereld die even van ons mocht zijn. Zoekend naar woorden die geschreven willen worden slik ik de brok in mijn keel weg. Ik kan het niet. Ze zullen nooit gevonden worden: Het was te mooi voor de mooiste woorden van de wereld.

© Silly Houet
9 Jun, 16:34
In de verte zie ik je zitten, jij, temidden van het robuuste landschap dat is neergelegd door de wind. De golven dragen bloeiende olijfbomen en kleurrijke cipressen. Hier en daar ademt een beekje tussen de heuvels door. Ik neem de zaligmakende rust tot me en laat mijn voeten in het water glijden. Ik kijk naar de zorgeloze rimpels in het water en zie mijn spiegelbeeld tussen de kringen door. Ik sluit mijn ogen om te voorkomen dat mijn netvlies zich verliest in het confronterende beeld. Tevergeefs. In de meest donkere duisternis kan ik het nog uittekenen: mijn beeld, dat niet van mezelf is.

Ik luister naar het zacht stromende water en probeer, bijna dwangmatig, de kalmte te herkennen. Het opspattende water klinkt echter dreigend en bezorgt me een beklemmend gevoel op mijn borst. Zelfs hier ben ik niet alleen. Met mijn handen tegen mijn oren gedrukt, probeer ik me te focussen op de sereniteit van de vlinder die haar rust vindt op een rotspartij. Ik zie hoe het water zich soepel om de stenen heen manoeuvreert. Het heldere water heeft plaatsgemaakt voor een donker kolkende stroming en het oorverdovende lawaai doet mijn hart sneller kloppen.

Driftig beweeg ik mijn hoofd om de stemmen van me af te schudden. Hardop herhaal ik jouw woorden om hen te overtuigen van hun ongelijk. Er is geen reden voor angst, het is de twijfel die me bang maakt. Mijn geloof in jou vermengd met mijn falen, maakt ons onzeker. Meer dan eens schets ik mijn tekortkomingen, nog vaker worden ze door jou uitgewist. Je schildert me in de mooiste kleuren en laat de levendige achtergrond verbleken in een verlaten wereld. Op jouw zilveren palet van waardering wacht zorgvuldig gekozen verf op een passievolle liefkozing. Het penseel laat zich leiden door jouw krachtige hand en schildert het leven, ons leven, dat wordt beheerst door de anderen. Bij elke slag die mijn hart slaat, wordt mijn liefde door hen overschreeuwd. Ik wil het niet horen. Ik wil het niet geloven. En toch, wanneer ze tegen me spreken vervaagt het schilderij. Hun harde stemmen vertroebelen de contouren van ons bestaan. Kleine druppels inkt lopen in elkaar over en vormen grote vlekken.

Zij zijn het, die jou en mij niet ons laat zijn. Ze proberen me ervan te overtuigen dat ze geen kwaad willen. Ze zijn er om mij te beschermen. Ze hebben me verzocht niet over hen te spreken. Vragen zou ik aan hen moeten stellen, ze beloofden altijd bij me te blijven. Of ik daar wel of geen bezwaar tegen had, werd niet gevraagd. Tegen mijn belofte in, nam ik je in vertrouwen op een moment dat ik dacht dat ze er niet waren en je probeerde me te begrijpen. Ik gebood je stil te zijn en naar ze te luisteren, maar je hoorde ze niet. Ze zwegen, voor even, maar zodra je mijn hand pakte en mij overtuigde van jouw liefde voor mij, waren ze er weer. Het mag niet. Het lijkt mooi, maar in werkelijkheid zou het afschuwelijk zijn en zij kunnen het weten, zij kennen mij beter dan jij. De overtuigingskracht is sterk.

Ik kijk naar de glooiende heuvels. Een laatste zonnestraal probeert de toppen van glinstering te voorzien. Achter mij ligt ons huis. Het huis dat door jou is gebouwd, waarvan elke liefdevolle steen is gelegd door jouw ziel en zaligheid. Ik wil er weer wonen. Alleen met jou. Onbezorgd, tussen de stevige muren die ons zullen beschermen tegen invloeden van buitenaf. Ik wil genieten van wat was en aan hen bewijzen dat het weer kan zijn. Het kwaad wil ik verbannen uit mijn hoofd om mijn hart te laten stromen als het ooit zo heldere kabbelende beekje. Ik wil de kleuren dragen van de vlinder, en me net zo kwetsbaar opstellen als de rotspartij, maar me niet mee laten voeren tot de bedding.

Wanneer ik het beekje achter me laat, dansen de zonnestralen op het ritme van de bewegende bladeren voor mijn voeten. Met elke stap kom je dichterbij. Als ik voor je sta, stokt mijn adem. Ik zie je, maar ik durf niet naar je te kijken. We zijn niet alleen. In de verte hoor ik ze naderen en inwendig probeer ik ze te verdrinken in de liefdeszee die mijn hart loslaat. Ik ga naast je zitten en laat mijn hoofd op je schouder rusten. Mijn tranen laat ik de vrije loop. Met mijn ogen op het niets gericht, neem ik afscheid van de rust. Ik til mijn hoofd op en kijk in je ogen. Het is er nog. Jouw onvoorwaardelijke liefde. Ondanks dat ik het bijna verloor aan hen, raakte jij ons niet kwijt. Dankbaar leg ik mijn hand in de jouwe. Vanaf nu luister ik alleen nog maar naar jou, en geef gehoor aan onze liefde. Nu en altijd.

© Silly Houet

Luister hier naar zijn stem...
Geen verdwaalde verkoudheid die ik per abuis zijn weg had laten vinden door het op te snuiven, geen wraakzinnende streptokok. Zelfs geen te verwaarlozen buikloop die met me aan de haal ging. Nee. ‘Kanker’. Ik oefende voor de spiegel. Ik spuugde het walgelijke woord uit, de bittere nasmaak bleef plakken aan mijn gehemelte. Onbewust trok ik een vies gezicht. ‘Kanker’. Ik keek weer naar mijn spiegelbeeld. Het stond me niet.

Al een paar maanden zag ik bliksemschichten samenspannen met de donkere wolken. De atmosfeer was gevuld met onheil, gevoed door zwarte rookwalmen van ellende. Soms verkeerde ik in een bui van grootmoedigheid en keek ik met opgeheven hoofd naar het vergezicht. Meestal uit de hoogte, vaker arrogant. Het was pijnlijk te moeten constateren dat de lucht niet opklaarde. Gekweld keek ik toe hoe grote zwarte wolken zich opstapelden en mij achtervolgden, om uiteindelijk in een stortbui van tegenspoed boven mijn hoofd los te barsten. Ondanks het feit dat ik wist dat de inmiddels ondraaglijke pijn niet normaal was, kwam het nieuws als donderslag bij heldere hemel: mijn lichaam had mijn ziel verraden door mij ten dode op te schrijven.

Dachten ze de wereld in één vloeiende beweging onder mijn voeten weg te kunnen slaan? Nee. Vluchten of vechten zou het zijn. Dat eerste had ik al gedaan en het had me alleen maar verder in de ellende gebracht. Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan dat ik niet eerder gehoor had gegeven aan het onbewuste stemmetje, dat me al maanden op mijn zenuwen werkte. Simpelweg door het te negeren, had ik diezelfde stem het zwijgen opgelegd.

Wat als ik geluisterd had? Zou ik dan herhaaldelijk dezelfde gesprekken gevoerd hebben met mijn ego? Wellicht was er dan lichte sluierbewolking geweest, maar een paar ontsnapte druppels hemelwater zouden mijn lichaam niet laten verdrinken in een stortvloed van kommer en kwel.
Het had geen zin om me dat af te vragen. De zware storm was uitgerukt, maar de hevige windstoten zouden mij niet aan het wankelen krijgen.

Er waren mensen die onthutst reageerden, toen ik voor het eerst de woorden hardop uit durfde te spreken. Sommige waren zo aangeslagen dat ik diegene was die bemoedigende woordjes toefluisterde. Anderen kozen de weg van de minste weerstand en keerden me de rug toe. Er waren dierbare vrienden die kennissen werden, vage bekenden werden me lief.

Het was allerminst gemakkelijk de route te vervolgen met het dreigend donkere wolkendek boven me. Ik durfde niet eens te kijken, uit angst dat ik in één oogopslag het onweer zou opwekken. Zonder te weten welk pad ik zou moeten bewandelen, hoopte ik dat ik de juiste weg was ingeslagen, dat het niet zou uitmonden in een doodlopende straat. Voetje voor voetje bewoog ik me voort. Langzaam.

Het putte me uit. Mijn aandacht op de grond, hopend dat hij niet onder mijn voeten weg zou zakken. Met het angstzweet in mijn handen probeerde ik elke hobbel te overwinnen. Radeloos, maar alert om niet in kuilen te vallen. Zo nu en dan keek ik achterom, het gaf me kracht om weer een stap voorwaarts te zetten. Ik negeerde open wonden, veroorzaakt door kapot gelopen blaren. Met het bloed in mijn schoenen liep ik verder. Mijn vingers gleden over mijn ziel, die ik nog steeds onder mijn arm geklemd had.

In de verte stak een grote bergketen boven het landschap uit. Naarmate mijn reis vorderde en ik het grote gebergte naderde, werden de contouren duidelijk zichtbaar. Een voorzichtige zonnestraal verlichtte niet alleen de bergkam, maar verduidelijkte mijn route. Voor het eerst sinds lange tijd wist ik waar ik vandaan kwam, waar ik stond en waar ik naar toe moest. Het was een overweldigend gevoel en dankbaar keek ik voor het eerst weer de hoogte in.

De hemel overdonderde me. Met open mond staarde ik naar de kobaltblauwe lucht, het vormde een prachtig geheel met het zachte witte dons dat meedreef op het blauw, richting een paar voorzichtige zonnestralen. De schoonheid ontnam me mijn adem. Ik knipperde met mijn ogen en toen ik zag dat het er nog was, liet ik me achterover vallen. Ik trok mijn schoenen uit en liet mijn blote voeten zacht door het kriebelende gras glijden. Een blijmoedige boterbloem kietelde mijn neus, en ik genoot. Ik sloot mijn ogen en voelde hoe de warme zonnestralen mijn gezicht lieten tintelen van gelukzaligheid.

Toen ik overeind kwam, zag ik dat de bergketen was verdwenen. Verbaasd keek ik achterom naar het verlaten landschap dat ik voor eens en altijd achter me had gelaten. Grote, zwarte pieken raakten in de verte de hemel aan. Het waren dezelfde bergtoppen die ik eerst voor me had gezien.
Nogmaals keek ik naar het pad dat voor me lag. Het werd vergezeld door vrolijk gekleurde bloemen die glinsterden in het zonlicht.

Ik rook de lente en stond op. Mijn versleten schoenen liet ik staan, ze hadden me nooit gepast.
Op blote voeten liep ik het pad af. Ik voelde de zon op mijn gezicht branden en met opgeheven hoofd begon ik aan de laatste meters. Het was fijn om weer bijna thuis te zijn.

© Silly Houet
8 May, 14:07
Door de autoruit zie ik dat de voortuin is omgeturnd tot een droevige wildernis. De ooit zo zorgvuldig gesnoeide rododendron treurt omdat hij niet van zijn vruchtbare delen is ontdaan en wordt nu vergezeld door hoogstaand onkruid. In de loop der jaren heb ik een hechte band opgebouwd met deze tuin. Naar gelang mijn vingers groener werden, groeide het wederzijds respect. Uit dankbaarheid voor mijn getoonde waardering en eerbied lieten ze mij genieten van hun geurige aroma en fleurige kleuren.

Jij hebt nooit geweten dat ik me zo verbonden voelde met alles wat voor ons huis stond te paraderen. Net zo min als jij inzag dat ons huwelijk verstrikt was geraakt in een woestenij van onkruid. Regelmatig vertelde ik dat onze relatie dreigde te verbleken bij de meest uitgebloeide roos, maar dat mijn hart zich keer op keer openhaalde aan de scherpe doorns van ons huwelijk zag je niet, of wilde je niet zien.

Met bonzend hart vertelde ik je dat ik er even tussen uit wilde, alleen. Je reageerde tot mijn verbazing positief en je was ervan overtuigd dat het me goed zou doen. Ik boekte een reis naar de Bahamas. Vanaf het eerste moment dat ik de exotische lucht inademde op het vliegveld wist ik dat ik de juiste beslissing had genomen. Ik besloot op de eerste avond de bloemetjes op het zonovergoten eiland buiten te zetten, niet wetende dat die avond het begin zou zijn van mijn nieuwe leven. Ik ontmoette een vrouw en het was de eerste avond dat ik niet aan jou dacht. Bij elke verleidelijke glimlach die ze me gaf voelde ik mijn lichaam tintelen van begeerte. Ik zie nog hoe haar brutale ogen dwars door me heen leken te kijken.

Ik voelde de opwinding oplaaien als een wakkerend vuurtje, voorzichtig aftastend ontplooien in een ware, onontkoombare vlam van pure passie en hartstocht. Een ongekend verlangen om haar te beminnen maakte zich van mij meester en mijn normaliter gereserveerde houding spoelde ik weg met de Mango Banana. Ik flirtte en zij was onder de indruk, zij maakte avances en ik ging er gretig op in. Het feit dat zij een zij was, liet me niet onberoerd, maar hield me ook niet tegen om haar mee te nemen naar mijn hotelkamer.

Voor het eerst sinds jaren liet ik me beminnen zoals ik altijd alleen maar van had kunnen dromen. Ze was lief en teder en meer dan speciaal. Ik vertelde haar dat ik getrouwd was, met tranen in mijn ogen liet ik haar binnen in mijn bestaan. Ze zoende elke druppel zout vocht weg en zei dat ik moest luisteren naar wat mijn hart me in gaf. Elk uur dat ik genoot van haar fysieke en lichamelijke aanwezigheid deed jou vergeten, ons verliezen en mezelf tegen komen. Voor het eerst sinds lange tijd had ik het gevoel weer te leven. We hadden een prachtige tijd en beloofden bij het mistroostige afscheid elkaar snel weer te zien.

Het deed je niets om me weer te zien, mij deed het nog veel minder. Ondanks dat het alweer weken geleden was dat ik het vliegtuig was uitgestapt en mijn voeten weer op Nederlandse bodem had gezet, was ik nog steeds in de wolken. Zacht pluche van liefde, genegenheid en hartstocht sluierden langs mijn gezicht. Zonnestralen deden mijn lijf tintelen van genot en de sereniteit in mijn ziel deed mijn hart sneller slaan.

Ik vertelde je niets over mijn vakantie, je vroeg er ook niet naar. De dag van haar thuiskomst haalde ik haar op van het vliegveld. Met de zenuwen gierend door mijn keel en met het angstzweet in mijn handen sloten we elkaar weer in de armen. Ongegeneerd zoenden we elkaar midden in de aankomsthal, alles en iedereen om ons heen vergetend. Dit was meer dan een vakantieliefde, dat wisten we allebei.

Wekenlang sprak ik in het geheim met haar af en elke keer overtrof de vorige gelegenheid dat we elkaar weer in de armen vlogen, en toegaven aan onze diepste verlangens. We belden elkaar als ik alleen was, we stuurden elkaar sms-berichten wanneer bellen niet mogelijk was. Ik sliep met mijn mobiele telefoon onder mijn kussen, om haar zo dichtbij te voelen als maar bestaanbaar was.


Ondanks het feit dat ik voor het eerst niet meer vocht voor ons huwelijk, voerde ik nog steeds strijd met mijn gevoelens, zuiver uit angst om de confrontatie aan te gaan met de buitenwereld. Uiteindelijk hakte ik de knoop door en besloot ik de strijdbijl met mezelf te begraven. Toen ik je vertelde verliefd te zijn op een ander wuifde je mijn woorden weg. Deze bevlieging, zoals jij het noemde, zou wel overwaaien. Voorzichtig had ik je proberen duidelijk te maken dat mijn liefde voor haar oprecht was. Met opgetrokken wenkbrauwen had je mijn zin herhaald met de klemtoon op haar. Mijn non-verbale reactie moet hebben duidelijk gemaakt dat ik het meende, maar door jouw verbale reactie die zich uitte in een sarcastische lach, wist ik dat je me niet serieus nam. Ik kon geen traan laten, pakte mijn spullen en liet jou, ons huis en mijn tuin achter.

Je stuurde me een brief waarin je me verweet dat ik alles zomaar achterliet en dat nota bene, zo stelde je, voor een vrouw. Met het zien van de uitroeptekens die daarop volgden hoorde ik weer je sarcastische lach. De brief die daarop volgde liet mij weten dat je begrip had voor mijn verwarde gedrag en dat je hoopte dat ik snel thuis zou komen, zodat ik weer ‘beter’ zou worden. De sms-berichten die daarna volgden, wisselden elkaar in razend tempo af, eveneens als jouw empathisch vermogen. Van de begripvolle, liefhebbende ex werd je de haatdragende, op wraakzinnende ex. Ik was allerminst onder de indruk van de intonatie en de woorden, je was en bleef ‘ex’.

De eerste brieven van jou liet ik haar zien. Zittend in onze tuin, we lachten er zelfs om. Dat na verloop van tijd mij het lachen begon te vergaan, probeerde ik haar niet te laten merken.

Afgelopen weken was het stil en durfde ik eindelijk weer te genieten van mijn nieuwe leven. Mijn leven dat me met de dag dierbaarder werd. Zonder jou, met haar, en altijd dicht bij mezelf. Tot gisteren. Je belde nota bene op onze huistelefoon. Met ingehouden adem hoorde ik je zeggen dat je je bij de situatie had neergelegd. Je vertelde me dat je graag je leven weer op wilde pakken en dat je wilde dat we allebei weer gelukkig zouden zijn. Bij ieder door jou uitgesproken woord, voelde ik de last op mijn schouders verminderen. Uiteindelijk besloten we af te spreken. Vanavond. We zouden de financiële zaken afhandelen, de scheiding in gang zetten, en de spullen verdelen. Het was iets waar ik al heel lang tegenop zag, maar waarvan ik ook wist dat het de laatste loodjes zouden zijn.

Nu kijkend naar het ooit zo vertrouwde huis met mijn voorheen prachtige tuin, voel ik niets. Ik stap uit mijn auto en loop voor de laatste keer de oprit op. Ik hoor het grind onder mijn voeten knarsen. Ik overweeg even om de voordeur met mijn eigen sleutel te openen, maar besluit toch op de bel te drukken. Wanneer ik mijn arm uit wil steken, zie ik dat het naambordje er nog hangt. Vreemd, juist nu je weer voor rede vatbaar bent, krijg ik het benauwd bij het idee dat we elkaar zo weer zullen zien. Door het plakplastic, dat het zicht naar binnen vertroebelt, zie ik een wazige gestalte naar de deur lopen. Met een zwaai gaat de deur open en ik voel hoe een hand mijn arm omklemt en me naar binnen trekt.

Wanneer ik half over de drempel val, trek je mijn beide armen omhoog en druk je me met mijn rug tegen de dichtgevallen deur aan. ‘Zo schatje, daar ben je dan eindelijk?’, lispel je in mijn rechteroor. De angstaanjagende blik in je ogen maakt me ongerust en ik word misselijk. Ik sta te trillen op mijn benen en net op het moment dat ik iets tegen je wil zeggen, trek je een hand naar achter en grijp je naar je broekzak. Een fractie van een seconde later hoor ik een klik en zie ik een vlijmscherp, zilverkleurig lemmet uit de stiletto ontsnappen. Ik vraag je op mijn allerliefst of je het alsjeblieft weg wil doen. ’Lieverd, laten we hier alsjeblieft over praten’, hoor ik mezelf zeggen.
‘Zeg dat je van me houdt, ..dat die snol de grootste vergissing van je leven is.’
Ik voel hoe het koude staal tegen mijn kloppende halsslagader aandrukt. ‘Zeg het, zeg dat je niet zonder me kunt..’

Ik voel hoe mijn tong dik wordt, mijn onderlip begint te trillen en probeer het zoute vocht in mijn ogen onder controle te houden. ‘Ik wil horen, dat je van mij houdt..’
Ik laat de tranen over mijn wangen stromen. Langzaam hoor ik hoe mijn hart een geluid door mijn mond laat ontsnappen.
‘Ik kan het niet..ik hou van haar..’

© Silly Houet


lees hier haar "Silhouet"
2 May, 15:56
Het voelt alsof twee handen bruut mijn keel dichtknijpen. Met opengesperde ogen probeer ik mijn longen van de kostbare doch noodzakelijke zuurstof te voorzien. De kleine deeltjes ijle lucht die ik tot me neem, maken me weeïg en ik dreig flauw te vallen. Ik kijk naar je lippen en inwendig smeek ik je mond om verlossing, om los te laten. Diepe groeven in je grauwe, ingevallen wangen vervolgen hun weg van verdriet en komen samen in donkerblauwe kringen vermengd met zwart. De bloeddoorlopen aderen in je ogen snijden als een vlijmscherp mes door mijn ziel. Wanneer ik weer naar adem probeer te happen, betrap ik mezelf erop dat ik je onbeschaamd en met open mond aan zit te staren. Mijn vingers spelen met het druipende vet dat de flikkerende kaars achterlaat en ik besef dat het mijn eigen handen zijn die denkbeeldige blauwe plekken in mijn hals achterlaten. Langzaam haal ik mijn vingers door de onrustige vlam en ik voel de schrijnende pijn. Ik dwing mezelf je aan te kijken, maar mijn zwakte laat mij de weg van de minste weerstand kiezen. De geur van verschroeide huid vult de ruimte.
Wanneer je met luide stem vraagt wat je leven nu nog voorstelt, schrik ik zo hevig dat ik in een reflex mijn hand boven de kaars wegtrek. Ik weet niet wat me harder raakt, je woorden of je intens droevige blik. Driftig zoek ik naar woorden die een zinnig antwoord kunnen vormen, maar zelfs de grootste clichématige onzin krijg ik mijn strot niet uit. Verdomme. Hij kan het toch niet allemaal zomaar weggooien? Als ik je hand vastpak, voel ik hoe de verse blaren onder jouw vingers kapot springen.

Mijn ogen volgen de route die het traanvocht uitstippelt over je ingevallen gezicht. Ik zou het liefst de weg abrupt dood willen laten lopen. De kolkende rivier in je ogen, gevuld met donker bloed leeg willen drinken, zodat het niet meer zou overstromen. Ik zou het vlijmscherpe mes dat blind en met grof geweld inhakt op je met liefde gevulde hart over willen nemen. Laat het op mij inhakken. Hardvochtig, koud, meedogenloos. Het liefste zou ik je willen zeggen dat ik je pijn over wil nemen en ik vervloek de brok in mijn keel die me nog steeds dwarszit en mijn woorden tegenhoudt.

Hoewel ik helemaal niet gewelddadig ben, maakt een ongekend verlangen hem een klap voor zijn kop te geven zich van mij meester. Misschien zelfs wel twee klappen. Als het daarmee allemaal weer op zijn plek zal vallen, zou ik het doen. Als het zou kunnen, zou ik hem mijn ogen geven en hem dwingen het leed dat hij veroorzaakt te zien. Het verdriet dat hij teweegbrengt door jou in de steek te laten. Ik zou mijn hart afstaan en hem wekenlang laten voelen hoe het is om deze in gebroken toestand te moeten dragen.

Met het laatste restje van de tissue veeg je het pad over je wangen weg. De kleine, witte wolkjes zachte stof liggen over de tafel verspreid. Ik zie hoe je voor de derde keer een viltje van het leven berooft en kijk hoe de snippers tussen de wolken landen. Onbewust zet ik het glas aan mijn lippen en proef ik de zoete witte wijn op mijn tong. Mijn agressieve denken maakt plaats voor een groot schaamtegevoel, gecreëerd door onmacht.

Waarom kan ik niet de vriendin zijn die je verdient, een vriendin die je tranen droog dept en je bemoedigende woordjes toefluistert, een vriendin die je uit het dal trekt, ongeacht de diepte?

En terwijl ik mijzelf afvraag waarom ik überhaupt deze vragen moet stellen, houd ik je hand vast.
Ik kan niet anders.

© Silly Houet
25 Apr, 00:17
Voor de zoveelste keer vangen zijn ogen mijn blik. Prachtige grijsblauwe ogen staren me aan. Ik dreig te verdrinken in een diepblauwe zee van onbegrensde liefde. Ik zie hoe het blauw op sommige punten overloopt in grijs. Ik grijp me vast aan de rotsen van onvoorwaardelijke steun. Het is alweer een tijd geleden dat ik de sprong in het diepe maakte door eeuwige trouw te beloven, maar ik proef de bezegeling nog op mijn lippen. Mijn vader had me weggegeven. Met liefde. Toen ik hem een jaar voor de plechtigheid voorstelde aan zijn toekomstige schoonzoon had hij hem afkeurend gadegeslagen. Een vreemde vogel, zo luidde de conclusie van mijn moeder. Het duurde niet lang voordat mijn ouders inzagen dat dit de man was die mij liet zweven naar ongekende hoogten. Toen hij mijn vader de hand van zijn dochter vroeg, sprongen de tranen in zijn ogen, zo hoorde ik later. Ik was er graag bij geweest.

Mijn vingers glijden over de foto en de stofvrije strepen smijten me terug op het land.
Ik kijk om me heen en verbaas me over het gegeven hoeveel een mens verzamelt in de loop der jaren. Dat het veel was, wist ik, maar zóveel had ik niet voor mogelijk gehouden.
'Schat, we moeten écht eens de berging opruimen.’ Ik hoor het hem nog zeggen. ‘Ja, ik weet het, laten we er volgende week mee beginnen..’ In de daaropvolgende weken keken we er niet meer naar om. Hij vergat het. Ik herinnerde hem er niet aan. Ik kon het niet. En nu, juist nu, dank ik god op mijn blote knietjes dat ik het niet kon. Opruimen was een vriendelijk maar afschuwelijk synoniem voor weggooien. Ik kijk om me heen. Prachtige herinneringen van gebeurtenissen die ons hebben gemaakt tot wie we nu zijn. Verpakt in bruin karton. Een voorzichtige straal zonlicht die binnendringt via het zolderraam brengt me terug naar de werkelijkheid.
Twee jaar lang, dag in dag uit had ik naar dit moment verlangd. Het moment waarop ons veilige, mooie leven weer van het karton bevrijd zou worden. Niemand had verwacht dat deze tijdelijke opslag zo'n dramatisch droevige wending zou krijgen.
Ik denk terug aan de gevreesde dijkdoorbraak. Lange tijd heb ik het water vervloekt. Het water dat niet alleen de dijken deed doorbreken, maar ook ons meesleurde, de dreigende, kolkende diepte in.

Mijn vingers voelen het stugge karton. Precies twee jaar geleden had ik deze doos als laatste naar boven getild.
Mijn moeder had zenuwachtig heen en weer gelopen, van de ene naar de andere hoek in de lege huiskamer. Zelfs de gordijnen waren van de rails gehaald, waardoor de ondergelopen uiterwaarden nog dreigender leken. Ik hoor het haar nog zeggen: ‘Het komt goed schat.’ Ik weet nog hoe haar onvaste stem me alleen maar ongeruster had gemaakt. We probeerden sterk te zijn, naar elkaar, voor elkaar. ‘Ja, over een paar dagen balen we er zelfs van dat we voor niets alles naar boven hebben gesleept.’ hoorde ik mezelf zeggen en gaf haar een knipoog. ‘Geef die vreemde vogel een dikke kus van me,’ zei ze grijnzend. Ik graaide in mijn handtas op zoek naar mijn autosleutel en voelde weer even de fotolijst. Ik glimlachte. Alsof het zo had moeten zijn, onder verwrongen omstandigheden. Dat wel. Mijn hart sloeg over toen ik het nieuws hoorde een nieuwe wereldburger te mogen verwelkomen in mijn vriendenkring. Mijn beste vriendin: zwanger. Ik vond het heerlijk haar zo te zien stralen.
Niet alleen stroomde ik over van trots, ook een diep verlangen naar een klein mensenkind maakte zich van mij meester. Een klein rozig hummeltje, met tien kleine vingertjes reikend naar de wereld. Tien kleine teentjes huppelend door het leven. Een onverklaarbaar groot wonder. Mijn hand gleed over de lichte stof en kriebelde mijn buik. Ik had besloten dat vanavond het moment was. Ik weet nog dat ik probeerde me zijn gezicht voor te stellen, wanneer hij het allergrootste cadeau dat ik hem kon geven in ontvangst zou nemen.

De paniek in de uiterwaarden had zich verplaatst naar de snelweg. De digitale autoklok vertelde mij dat ik al ruim twee en een half uur onder weg was. Drie kwartier daarvoor had de avond de dagshift overgenomen. Ik drukte voor de zoveelste keer op ‘de laatst gekozen nummers’ van mijn mobiel. Verdorie. Dat mens begon me aardig op mijn zenuwen te werken met haar, ‘deze mobiele telefoon is op dit moment uitgeschakeld...’ Nog voordat ze me verzocht het later nog eens te proberen drukte ik driftig op het rode knopje. Inwendig vervloekte ik de auto’'s voor me en snoerde ik Marco Borsato de mond door de radio op een volgende zender af te stemmen. ’Ha, afscheid nemen bestaat wél; kijk maar hoe makkelijk het gaat. Luid en onbeschaamd zong ik mee met Cindy Lauper;

I see your true colors
And that's why I love you
So don't be afraid to let them show
Your true colors
True colors are beautiful,
Like a rainbow


Ruim anderhalf uur later naderde ik het dorp. Vermoeid volgde ik de slingerbochten die mij de weg wezen. Het zwakke licht van de vele lantaarnpalen tekende vage, angstaanjagende schaduwen van de hoge bomen op straat. Mijn kleffe handen omklemden het stuur, dat zo af en toe links naar trok.

Ik probeer de afschuwelijke momenten die daarop volgden te verbannen door met mijn hoofd te schudden. Ik sluit mijn ogen en zie weer hoe de verlichte koplampen steeds dichterbij komen.
Ik zie weer hoe je met je hoofd voorovergebogen op het stuur ligt. Ik had het portier losgerukt en je hoofd vastgepakt. Ik kuste je bebloede wangen en schreeuwde. Huilend smeekte ik je mij niet in de steek te laten. Ons. Mij en de baby. Mijn gevoel van onmacht werd omgezet in woede. Waarom jij. Waarom wij. Ik schreeuwde mijn longen uit mijn lijf en ik voelde elke vezel in mijn lichaam langzaam afsterven.

Ik moet in elkaar gezakt zijn, want ik ontwaakte in het ziekenhuis. ‘Schat, het komt goed, echt..' Langzaam opende ik mijn ogen. Mijn moeder. Ik zag aan haar ogen dat het mis was. Helemaal mis. Ze kuste mijn handen die in de hare lagen. "Je lag in coma." vertelde de arts. Het was alsof de wereld onder mijn voeten weggeslagen werd. Onbewust greep ik naar mijn buik. Het bleef niet onopgemerkt. De arts vroeg mij mee te komen. Voor nader onderzoek.

Het had de mooiste tijd van ons leven moeten zijn, maar jij wist het niet. Elke dag hoopte ik op een wonder, dat je terug zou keren naar je gezin. Dagenlang sprak ik tegen je. Probeerde ik je uit te leggen hoeveel ik van je hield. Ik legde je handen tegen mijn buik om je de baby te laten voelen. Ik nam namenboeken mee. Ik liet je boeken vol geboortekaartjes zien en vroeg je om vergiffenis als ik de verkeerde keuze zou maken.

Ik beviel van het mooiste wereldwonder. Twee Verdiepingen onder je. De bekroning op ons geluk. Ze huilde veel. Ik ook. We huilden om haar vader. Ik legde haar op je borst, elke keer weer. Jouw regelmatige ademhaling maakte haar rustig en tevreden.
Haar eerste stapjes deed ze naar jou. Haar tien kleine vingertjes hielden jouw bed vast.
Elke dag zaten we aan je bed, in stil verlangen dat het je niet zou ontgaan.
Ik hoopte met heel mijn ziel en zaligheid dat ik mijn dochter haar vader terug kon geven.

Dankzij jou zijn we weer compleet.
Wij hebben je, nog steeds.
Het karton mag er vanaf; ons mooie leven wordt te groot voor deze te kleine doos.

© Silly Houet


Zijn In Stil Verlangen lees je bij Yozev
Ik houd me met bevende vingers vast aan een zijden draadje. Ik kijk angstig opzij en word geconfronteerd met mijn eigen sporen, mijn sporen die niet meer van mij zijn maar die ons toebehoren. Ik heb getracht weerstand te bieden, te voorkomen dat mijn draad de jouwe kruist.

Het web zou ingewikkelder worden. Mooier misschien, dat wel. Voor even. Kleine sporen van de proeve van jouw begeerlijkheid zouden zich uittekenen in passie, onze paden zouden in elkaar overlopen en ingekleurd worden door pure hartstocht.

Ik heb toegegeven aan de verleiding op een virulente zomerdag. Gewelddadige zonnestralen accentueerden de fonkelende zijden draden. Kleine kristallen van puur zilver maakten ons geweven web oogverblindend, met jou ten deel gevallen aan het vergezicht. Ons perspectief uitsluitend zichtbaar voor jou en mij.

Benauwd buig ik naar voren. Voorzichtig. Ik mag mijn balans niet verliezen.
Het duizelt me als ik de angstaanjagende diepte in kijk. Ik probeer in te schatten hoe groot de afstand is. De zenuwen gieren door mijn lijf en het bloed pompt door mijn kloppende aderen. Ik weet dat kiezen noodzakelijk is.

Ik voel weer even jouw draad. Hoe hij plagend met mij speelt. Elke vezel van mijn lijf wordt zachtjes gekieteld door jouw stevige stof. Mijn onderbuik kriebelt van hunkering en intens verlangen maakt zich van mij meester.

'Stop!' Mijn verstand roept mijn hart halt toe en dwingt tot denken. Ik sta op het randje van de afgrond. Ik voel hoe het donkere ravijn alle energie uit mijn lichaam zuigt. Mijn knikkende knieën laten me wankelen. Ik adem de ijle lucht in en het maakt me weeïg. Het zweet druipt van mijn voorhoofd en de nacht plakt aan mijn lijf. Ik ben onthutst van het beeld dat zoveel afwijkt van het tafereel op klaarlichte dag.

'Rustig, adem in, adem uit.' Ik sluit mijn ogen. Even achterover leunen. Ik voel hoe de zijde mijn hand ontglipt. De draad snijdt in mijn hand en laat diepe groeven achter in mijn ziel. Mijn hand stribbelt tegen en uit haar open wond sijpelen kleine streepjes bloed.

Ik laat het gaan. Verlost uit het web van tegendraadse gevoelens. Het pijnlijk prachtige web. Haar droevige sterkte had geen kracht.

© Silly Houet
18 Apr, 21:41
no name

Fonkelende sterren laten een harmonieuze gloed achter op het verlaten strand. Ik voel hoe mijn longen zich vullen met zilte zeelucht. Terwijl mijn voeten het zand tussen mijn tenen laten glijden, luister ik naar de zaligmakende rust. Het zachte geruis van de golven doet me in gedachten verzinken. Ik denk terug aan een paar dagen geleden.


Terwijl ik kijk naar de goudgele zon die haar rust vindt in de donkere zee, hoor ik iets achter me dat lijkt op zacht gesnik. Wanneer ik omkijk, zie ik haar zitten. Haar vingers maken een tekening in het zand. Wanneer ze ziet dat ik naar haar kijk, geeft ze me een klein knikje en lacht bedroefd.
Zonder aarzelen loop ik naar haar toe en vraag haar of ik bij haar mag komen zitten. Ze strijkt het zand naast haar glad en gebaart me plaats te nemen. Het zojuist getekende hart verdwijnt onder haar vingers. Aan haar ietwat beschaamde blik zie ik dat ze zich afvraagt of ik haar uitgewiste tekening heb gezien.
Tijdens de zwijgzame minuten die we naast elkaar zitten, wordt de vraag waarom ze me zo bekend voor komt, gevolgd door de vraag wat haar zo verdrietig maakt.
Haar goudblonde lokken krullen langs haar gezicht. De sproetjes op haar neus maken haar kwetsbaar, meisjesachtig. Alsof ze mijn gedachten kan lezen, begint ze te vertellen.
"Ik viel voor hem. Hij liet mij samenkomen met de maan en de sterren".
Met samengeknepen ogen kijkt ze naar de sterrenhemel. Onbewust kijk ik naar de fonkelingen die licht geven in het donker.
"Het maakte niet uit waar heen te gaan, net zo min als waar vandaan we kwamen."
Ze strijkt een blonde lok weg uit haar gezicht.
"We waren samen."
Wanneer ze het laatste uitspreek slikt ze de zichtbare brok in haar keel weg. Ik slik mee. Ik zie dat de pijnlijke droefheid krachtiger is dan we allebei wensen. Als er een traan uit haar ooghoek ontsnapt en een spoor trekt over haar wang, pak ik haar hand. Ze knijpt erin en even zeggen we niets.
"Het leek te mooi om waar te zijn", vervolgt ze, "en ik wist dat het ook niet meer was dan dat."
Ze kijkt me aan en met veel pijn en moeite onderdruk ik de neiging om haar te omhelzen.
"Sorry, het klinkt vast belachelijk. Het is niet uit te leggen. Het is een gevoel waarvan je het bestaan niet kent als je het niet hebt meegemaakt."
Vóór ik iets kan zeggen staat ze op en wrijft ze het zand van haar benen.
"Als liefde blind maakt, moet ik dan voortaan mijn ogen dichthouden?"
Wanneer ze merkt dat ik haar het antwoord schuldig moet blijven, loopt ze weg. Ze kijkt niet meer om.


De rillingen lopen over mijn lijf. Ik heb het koud gekregen. Nog één keer kijk ik naar de sterrenhemel. Ik voel het zoute traanvocht op mijn lippen. Als ik achterom kijk, zie ik hoe de golven mijn tekening de zee indragen.
Ze zal het nooit weten, maar ik begreep haar. Meer dan anderen ooit zullen begrijpen.
Lieve onbekende, het antwoord is "nee".

© Silly Houet (18 april 2008)
13 Apr, 14:12
startsein gegeven
de uitnodiging aanvaardt
het kan beginnen

de inzet nihil
verlies te verwaarlozen
winst niet belangrijk

het spel verslavend
overgave geen optie
angstaanjagend puur

zonder overleg
is dat eerlijk en oprecht
inzet verhogen

buitenspel gezet
de tweestrijd nu eenzijdig
geen eerlijk spel meer

© Silly Houet
9 Apr, 22:40
deel 4 lees je hier

‘Wie the fuck ben jij dan?‘
Het is duidelijk dat hij mij niet had verwacht. Hij lijkt allerminst onder de indruk van me. Ik had snel een badjas aangetrokken die over de stoel in de slaapkamer hing. Het versleten, witte ding zou nu wel ontzettend goed afsteken bij de rest van mijn gedaante. Ik voel het bloed naar mijn hoofd stijgen. Ik voel me een tiener die door haar vader betrapt wordt als ze met haar vriendje het praktijkgedeelte van Biologie doorneemt. Belachelijk, bedenk ik me. Wat heb ik verkeerd gedaan? Niets. Tenminste, nee. Ik geloof van niet.

Ik zie dat hij me nauwkeurig opneemt. Aan zijn woedende blik te zien begint zijn geduld op te raken.
‘Euhh.., ja..wie euh.. ik ben?’, stamel ik.
‘En wat doe je hier en waar is Mike verdomme?!’
O ja, Mike. Ja, wie is Mike? Ik pijnig mijn hersenen.
‘Wie zeg je? Mike?’
‘Oh, gaan we nu de domme sloerie uithangen?’ Met een verwrongen glimlach kijkt hij me aan.
Ik voel me nog naakter dan een paar minuten geleden toen ik daadwerkelijk naakt in bed lag.
‘Laten we even naar binnen gaan’, hoor ik mezelf zeggen.
Het verbaast me dat hij ermee instemt.

Onwennig neem ik plaats op de sofa. Ik masseer mijn bonkende slapen en probeer helder na te denken. Ik staar naar de glazen wijn die op tafel staan. Wijn. Sofa. Flarden van vannacht flitsen in mijn gedachten voorbij. Damian! Nu weet ik het weer.

‘Nou, ga je me nog vertellen waarom je hier halfnaakt rondloopt?’
Ik kijk naar hem. Het zou zijn oudere broer kunnen zijn.
‘Tja..ik weet het ook niet zo goed..’
Ik hoor hoe achterlijk dat klinkt en trek het oude stuk stof nog iets strakker om mijn lichaam. God. Wat vernederend.
‘Je weet het niet zo goed? Sorry popje, maar jij en ik weten dat jij hier niet hoort te zijn. Kom op, zeg op. Wat doe je hier?.’
Ik kijk naar zijn stoppelbaard. Op zijn linkerwang zit een groot litteken. Ondanks dat hij er een beetje ruig uitziet, heeft hij toch iets vriendelijks over zich. Ik zie nu pas dat het zwarte vlekje bij zijn oor een tatoeage is. Een spin.
Hij kijkt me doordringend aan en de rillingen lopen over mijn lijf.
‘Wat bedoel je, jij hoort hier niet te zijn?’
‘Jezus kind. Denk na..’
‘Ik ..Het begon vannacht, of nee, eigenlijk gisteravond..’
Als ik zie dat hij me alleen maar aankijkt en wacht tot ik mijn ik gehakkel vervolg, ga ik verder.
‘We raakten aan de praat. Een wijntje, een wodka. Het was gezellig. Meer dan gezellig’.
Hoe meer ik vertel, hoe makkelijker ik praat.
‘…En toen werd ik wakker door jouw bonken op de deur en was Damian vertrokken.’
‘Ik snap er geen kloot van, wie is die gast waar jij mee hebt liggen rampetampen? Die Damian, hoe komt hij hier in huis?’
Rampetampen. Dat klinkt wel erg platvloers. Zo was het niet geweest. Het was hartstochtelijk, vurig. ‘Hoe komt hij in dit huis? Hij woont hier.’
‘Nee popje, Mike is de enige die hier woont. ’Ik denk dat je teveel gezopen hebt.’
Daar moest ik hem gelijk in geven.
‘En hoe weet je zo zeker dat Mike de enige is die hier woont?’ vraag ik een beetje achterdochtig.
‘Geloof mij maar, ik weet heel zeker dat Mike hier alleen woont. Tenminste als je mij niet meetelt’. In zijn ogen zie ik een fonkeling. Op zijn gezicht verschijnt een flauwe grijns.
‘En hoe ziet die Mike er uit?’, vraag ik terwijl ik blij ben dat ik zit en niet sta.
‘Tja, hij is lang. Breed. Leuke kop en ja..het klinkt misschien een beetje verwijfd maar hij is gewoon lekker.’
Ik word misselijk. Het zal toch niet…Nee. Nee.
‘Ehh, enne, jullie..’ Ik wil het niet weten. Ik moet hier weg.
‘Ik denk dat het een misverstand is..het is, ik moet gaan..’
‘No way girl..jij..’
De rest hoor ik niet meer. Ik voel tranen opwellen in mijn ogen. Ik haast me naar de slaapkamer en grijp naar mijn kleren. Met mijn jeans half open en mijn shirtje binnenstebuiten ren ik naar buiten…

© Silly Houet